Het vergaan van de O 16 en de enige overlevende

Het vergaan van de O 16 en verhaal van de enige overlevende

Successen en verliezen in een oorlog kunnen dicht bij elkaar liggen, zo blijkt ook uit het verhaal van Hr.Ms. O 16 die op één dag drie Japanse schepen tot zinken bracht, maar daarna zelf op een mijn liep. Slechts één man overleefde het: kwartiermeester Cor de Wolf.


Een detailopname van de toren van Hr.Ms. O 16. Hier stonden de zes mannen die de eerste klap hadden overleefd. Vanuit de kuip, achter het cijfer 16, werd de boot bestuurd. (Foto: Koninklijke Marine)

Onderzeeboot Hr.Ms. O 16 werd in 1936 in dienst gesteld. De enige boot uit de O 16 klasse was gebouwd door scheepswerf De Schelde te Vlissingen. Na een reis naar de Verenigde Staten moest de onderzeeboot koopvaardijschepen beschermen voor de Spaanse kust in verband met de burgeroorlog aldaar. In 1939 werd de boot naar Nederlands-Indië gestuurd, waar het in mei 1940 was toen de oorlog in Nederland uitbrak.

Oorlogspatrouille
In 1941 kregen de O 16 en de 42 bemanningsleden een nieuwe thuishaven: Singapore. Vanaf dat moment viel de O 16 onder Brits commando. Op zaterdag 6 december 1941 vertrok Hr.Ms. O 16 voor de eerste patrouille en koerste naar het noorden richting wat tegenwoordig de Golf van Thailand heet (toen de Golf van Siam). Al snel spotte de O 16 onder leiding van commandant LTZ1 A.J. Bussemaker twee Japanse torpedobootjagers, maar het was nog geen oorlog dus de torpedo's bleven netjes in de buizen.

Een dag later was alles anders. Op zondagochtend 7 december viel Japan de Amerikaanse basis Pearl Harbor aan, waarna de Verenigde Staten, maar ook Nederland de oorlog verklaarden aan Japan. Hr.Ms. O 16 ontving het bericht op 8 december en daardoor veranderde de patrouille in een oorlogspatrouille.

In de nacht van 10 op 11 december kreeg commandant Bussemaker weer een Japans schip in het vizier en vuurde ditmaal wel. Door een tropische regenbui was het voor de O 16 echter niet duidelijk of de drie torpedo's doel hadden getroffen.

Dit was een dag later wel anders. De O 16 was een koopvaardijschip richting Pattani, een stad in het zuiden van Thailand, gevolgd. Navigatieofficier Van Einsbergen was als koopvaardijofficier bekend met deze regio en manoeuvreerde de 76 meter lange onderzeeboot vervolgens zeer kundig de baai in, waar het nietsvermoedende schip naast drie andere grote Japanse schepen voor anker ging.

De O 16 lanceerde vijf torpedo's en allemaal troffen ze doel. Volgens kwartiermeester Cor de Wolf, die als enige overlevende een belangrijke bron is, heerste er grote vreugde op de brug en in de centrale.

Drie schepen raakten zwaar beschadigd, maar doordat de baai ondiep was zonken ze niet volledig.

Stilletjes ontsnapte de O 16 uit de baai en bleef in ondiep water, buiten bereik van de Japanse torpedobootjagers.

Hr.Ms. O 16, met nog één torpedo aan boord, zette na de geslaagde actie weer koers naar thuishaven Singapore. Overdag voer de boot onder water en 's nachts boven water, omdat onderzeeboten destijds aan de oppervlakte een hogere vaart konden lopen.

O 16 onderzeeër duikboot haven den helder
Hr.Ms. O 16 in Den Helder. (Foto: Koninklijke Marine)

Noodlot
Ook in de nacht van 14 op 15 december voer de boot boven water. Kwartiermeester De Wolf had zondagavond de 14e tot 2200 uur de wacht in de centrale gelopen en meldde zich om 0000 uur op de brug voor de volgende wacht. Hier waren de eerste officier LTZ2 Jeekel, korporaal machinist Bos, matroos 1e klasse Van Tol, matroos 2e klasse Kruijdenhof al aanwezig. Zij vormden wat men tegenwoordig het brugteam zou noemen: wachtsofficier, roerganger en uitkijken.

Commandant LTZ1 Bussemaker was kort daarvoor ook op de brug gearriveerd, omdat er al sinds half twaalf zoeklichten werden waargenomen aan de horizon. Na verloop van tijd verlegde de O 16 koers richting één van de zoeklichten boven de eilanden die om de 20 minuten zichtbaar was. Inmiddels bevond de O 16 zich ten noordoosten van het eiland Tioman.

Singapore was niet ver meer verwijderd en de O 16 zou zich daar gaan voorbereiden op een nieuwe patrouille. Maar de boot zou de thuishaven nooit bereiken. Rond 0230 uur sloeg het noodlot toe, de O 16 liep op een mijn. Dankzij het rapport dat Cor de Wolf later schreef, zijn de gebeurtenissen van de dagen daarna bewaard gebleven: "(...) een hevige klap; ik zie de boot ter hoogte van de dekbuizen [torpedobuizen aan dek, halverwege de boeg en de brug, JK] in tweeën breken, een geweldige waterzuil vliegt de brug over, gevolgd door een warme diesellucht. De commandant en de oudste officier trachten nog het torenluik dicht te trappen, doch dit lukt niet. Ik zit met mijn regenjas vast aan het mijnentuig, maar weet me los te rukken; de boot zinkt binnen een minuut weg, daarna lig ik te water."

Zwemmen
Een deel van de 36 bemanningsleden in de boot moest direct bij de enorme ontploffing zijn omgekomen, maar de rest vocht voor zijn leven terwijl de boot naar 52 meter diepte zonk. Er was geen hulp en het lukte niemand om uit de onderzeeboot te ontsnappen. Alleen de zes mannen die op de brug stonden, kwamen boven water.

De Wolf: "Ik kijk om me heen en vind niets, ik begin te roepen en krijg antwoord, verderop drijven de anderen, ik zwem naar hen toe. Als ik bij hen kom zijn wij allen bij elkaar op de commandant na. We roepen de commandant en krijgen antwoord, maar hij kan niet bij ons komen, hij lag zeker te ver af, ik heb hem ook niet meer gezien. Ik vraag of mijnheer Jeekel ook wist wat het zijn kon. Hij deelde mij mede, dat het vermoedelijk een mijn is geweest. Wij oriënteerden ons waar wij waren en al vrij spoedig bleek het dat wij, als wij naar de eilanden wilden zwemmen, de maan links en een ster rechts moesten houden. Zo zwommen wij naast elkaar voort, maar matroos Van Tol kon haast niet meer. Wij hadden onze kleren al uitgetrokken, alleen Van Tol had nog een klein jasje aan en kon dat niet uitkrijgen. Ik kon dit niet aanzien en zwom terug om hem te helpen, hetgeen gelukte".

Matroos Van Tol was net een paar maanden 21 en de jongste van de zes, maar hij redde het niet. Er waren op de brug en het dek geen zwemvesten geweest. Dit was om te voorkomen dat die naar boven zouden drijven bij dieptebomaanvallen en de locatie van de duikboot zouden verraden. Van Tol en de anderen moesten volledig op eigen kracht overleven.
Dat lukte de jongeman niet. Het werd langzaam licht boven de Zuid-Chinese Zee, "enkele ogenblikken daarna zonk Van Tol weg."

"Heel aan de kim ontwaarden we de eilanden, vaak spoorde ik de mensen aan om verder te zwemmen," schreef De Wolf, maar tevergeefs: "Om plusminus acht uur zonk ook mijnheer Jeekel weg. Ik vroeg aan Bos en Kruijdenhof of het goed ging, maar zij antwoordden alleen ‘dorst’. Al beter en beter onderscheiden we de bergtoppen van de eilanden. De redding kwam misschien al spoedig, een vliegtuig ging over ons heen, maar merkte ons niet op."

Na 6,5 uur zwemmen vloeiden ook de krachten van Kruijdenhof, uit Suriname, langzaam weg: "Om negen uur zonk matroos Kruijdenhof weg, ik weet precies de tijd omdat mijn horloge tot tien uur heeft gelopen, toen bleef het stil staan; ik was toen nog met Bos over. Weer zwommen we verder, maar ik bemerkte dat de stroom mij ver beoosten het eiland zette. Ik zwom toen met Bos tegen de stroom in tot we weer dwars van de eilanden waren en toen weer rechtuit. Weer naderde een vliegtuig, het was een Hollands toestel, maar ook dit bemerkte ons niet. Een ontzaggelijke dorst kwelde ons bij het ondergaan der zon, dus ruim 17 uur. Daarna zei Bos tegen mij: ‘Cor, ik kan niet meer, als je het er levend af brengt, doe dan de groeten aan mijn vrouw en twee kinderen’, daarna zonk hij weg in de diepte."

De Wolf was alleen in een immense zee met slechts wat eilanden in de verte, zijn boot was gezonken en zijn collega's verdronken. Maar De Wolf gaf niet op: "weer zwom ik door, God gaf mij voortdurend kracht drijvend te blijven, steeds werd ik weggezet door de verraderlijke stroom. Eindelijk, na plusminus 35 uur gezwommen te hebben, bereikte ik dinsdag omstreeks 12 uur het eiland; ik werd op de rotsblokken gegooid, waar ik hevig bloedend uit rug en benen bleef liggen. De zon brandde fel op mijn lichaam, een heftige pijn in rug en benen en een geweldige dorst brachten mij weer tot de werkelijkheid".

kaart dyang singapore duikboot O 16
Cor de Wolf legde een afstand van zo'n 80 km af in 34 uur. In het zuiden ligt Singapore, veel verder naar het noorden Pattani, waar de O 16 de Japanse schepen torpedeerde. (Kaart: Google)

Aangespoeld
Later werd berekend dat als De Wolf goed had ingeschat dat hij rond het middaguur aangespoeld was, hij inderdaad zo'n 34 uur had gezwommen en maar liefst 80 km had afgelegd. Kwartiermeester De Wolf was namelijk op het onbewoonde eilandje Dayang beland. Maar voor De Wolf was het natuurlijk niet belangrijk om stil te staan bij de prestatie die hij had geleverd: "ik moest water hebben, dat was het hoofddoel. Ik ben toen begonnen naar boven te lopen, dat duurde ongeveer vijf uur, maar zonder resultaat, er was daar geen water. Overal viel ik neer, stond dan weer op, de doornen schramden heel mijn lichaam. Toen ik dan ook boven geen water vond, besloot ik de terugtocht maar weer te aanvaarden en dan de nacht maar op de rotsen door te brengen. Toen ik beneden kwam, vond ik een rotsspleet waar water uit liep. Hier heb ik liggen drinken, daarna viel ik in een onregelmatige slaap, steeds werd ik wakker."

"Toen de zon ter kimme rees, trachtte ik om het eiland rond te lopen, dat ging niet gemakkelijk omreden het allemaal rotsen waren van 6 a 7 meter hoogte. Na lang klimmen en klauteren bereikte ik eindelijk de zijkant van het eiland. Hier ontwaarde ik tot mijn grote blijdschap een prauwtje. Ik schreeuwde zo hard ik kon, de inlander hoorde me en kwam met zijn prauwtje op mij af".


De Wolf maakte de man met handgebaren duidelijk dat hij wilde eten en drinken. De Maleisiër gaf hem daarop een klappernoot en zei dat hij mee moest in zijn prauw. Een uur later arriveerde De Wolf op één van de andere eilanden. Hier kreeg hij een broek ("tenminste, vroeger was het er een geweest") en werd voor het dorpshoofd geleid. Het dorpshoofd sprak Maleis en De Wolf ook, net als veel marinemannen in die tijd. Drie dagen verbleef De Wolf in het dorp en op zaterdag 20 december kon De Wolf mee op een zeilprauw naar het vasteland. Daarna volgde voor De Wolf een zware tocht op zijn stukgelopen voeten door een moeras en de rimboe. Met kapmessen baande de groep zich een weg door de jungle tot zij op een bivak van Australische eenheden belandde. De ontberingen waren voorbij.

Per luxe Ford-V8 werd hij naar de Marinebasis in Singapore gereden, waar hij zondagavond aankwam.


Het monument van de Onderzeedienst in Den Helder met de namen van de omgekomen bemanningsleden van zeven onderzeeboten. (Foto: Jouke Spoelstra Onderzeedienst Marine)

Verslag
De kwartiermeester werd onderzocht in de ziekenboeg en bleek niets te mankeren. De volgende dag kon De Wolf eindelijk verslag uitbrengen over wat de O 16 was overkomen. Hij deed dat aan Nederlandse marineofficieren, maar ook aan vice admiral Layton Commander-in-Chief, Eastern Fleet. Daarna vertrok De Wolf richting Nederlands-Indië en bracht vice-admiraal Helfrich, bevelhebber van de Koninklijke Marine in de Oost, persoonlijk op de hoogte.

Ondanks alle verschrikkingen bleef De Wolf de Koninklijke Marine trouw en bleef de hele oorlog bij de Onderzeedienst werkzaam. De kwartiermeester werd onderscheiden met de Britse Distinguished Service Medal voor voorbeeldige moed en vindingrijkheid in oorlogstijd, de Nederlandse Bronzen Leeuw voor uitzonderlijke dapperheid en het Oorlogsherinneringskruis. De Wolf ging in 1962 met pensioen in de rang van opperschipper.

duikboot 0 16 marine den helder

Overtuigend bewijs
Helaas was niet iedereen overtuigd van de prestaties van De Wolf. Hr.Ms. O 16 was ook na de oorlog niet teruggevonden en er was niets bekend van een mijnenveld op de locatie waar de O 16 volgens De Wolf moest zijn geweest. Er werd door sommiggen geconcludeerd dat de O 16 in een Brits mijnenveld terecht was gekomen, veel dichter bij het eiland Dayang dan De Wolf had beweerd en dat de commandant ver van zijn koers afgeweken was. Pas veel later bleek dat er toch een Japans mijnenveld moest zijn geweest, maar het echte bewijs werd pas in 1995 geleverd.

Een Zweedse duiker, woonachtig in Singapore, had een wrak van een onbekende onderzeeboot opgespoord en nam contact op met een journalist van het Algemeen Dagblad. De Koninklijke Marine stuurde daarop een identificatieteam bestaande uit Hans Besançon, de twee zonen van de commandant Ton en Henk Bussemaker en expeditieleider LTZ1 John van Zee naar de Zuid-Chinese Zee. Het wrak bleek inderdaad Hr.Ms. O 16 te zijn en te liggen op een locatie die het verhaal van De Wolf bevestigde. Daarmee kwam aan alle twijfel een einde.

Cor de Wolf heeft die identificatie niet meegemaakt; hij overleed in 1983. Het wrak van de O16 is er ook niet meer; op 5 juli 2019 werd bekend dat het vrijwel volledig is verdwenen. Vermoedelijk is de onderzeeboot van de bodem gehaald voor verkoop van ijzer.


Noot:

Dit verhaal is eerder gepubliceerd op de website van Marineschepen

Dit verhaal is in een verkorte versie gepubliceerd in de Citymarketingkrant editie nummer 41. 

Met dank aan de Traditiekamer Onderzeedienst van Defensie.